Alles Went

Afgelopen zomer ben ik bij mijn grootouders en tantes in Parijs op bezoek geweest, iets wat voorheen niet de gewoonte was, maar de laatste jaren min of meer een traditie is geworden. Parijs (en heel Frankrijk eigenlijk) is voor mij wat een snoepwinkel is voor een achtjarig dikkertje. Tot een jaar of drie geleden had ik hier neer kunnen zetten dat Parijs de meest prachtige, fantastische stad ter wereld is en dat ik er later met mijn vriendinnetje zou gaan wonen en er gelukkiger zijn dan wie dan ook. Vandaag de dag moet er eerst een nieuw vriendinnetje gevonden worden, en met dat nieuw gevonden vriendinnetje gaat er dan ook niet gefantaseerd worden over Parijs ben ik bang.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op Parijs en ik kan me nog steeds niet voorstellen dat ik ooit een stad zal bezoeken die adembenemender, indrukwekkender en statiger is dan Parijs. Dat gezegd hebbende, ik wil er niet meer wonen. Parijs is een stad waar vandaan ik jaloersmakende kaarten naar kennissen wil sturen, maar waarnaartoe mijn post nooit gestuurd zal worden.

Het probleem met er wonen is dat alles, zelfs Parijs, went als je het te vaak ziet. Mijn grootouders, die er al decennia vlak naast wonen, haalden hun schouders op toen we op weg naar hun huis vanaf Gare du Nord een wonderschoon gebouw passeerden, waar de stadsdeelraad van het 10e arrondissement zetelt. Het was een type gebouw dat we, als het in Nederland had gestaan, zouden koesteren, op monumentenlijsten zouden zetten en misschien zelfs de Tweede Kamer naartoe zouden verhuizen. Dat gebouw stond in Parijs voor een drukke tweebaansweg en werd zonder opgemerkt te worden voorbij gereden door twee Fransen die hun schouders ophaalden over het juweel van 18e-eeuwse architectuur. Het went. Zoals alles went.

Als dingen wennen verliezen ze hun impact, worden ze gewoon en wat gewoon is zien we niet eens meer. We kunnen zelfs aan andere mensen wennen, en wanneer we gewend zijn verliezen we belangstelling. De houdbaarheidsdatum van een ander mens is overigens een jaar of zeven, zo blijkt. De Engelsen (of zijn het de Amerikanen?) noemen het de seven year itch, een term die wij als nuchtere Hollanders uiteraard klakkeloos hebben overgenomen, want zelf een term in de eigen taal bedenken is te veel werk.

Mijn punt is dus dat alles, zelfs andere mensen, zelfs Parijs, went. Het is geheel tegen mijn verwachtingen in mogelijk om met een verveelde nonchalance een juweel van een stad als Parijs door te rijden, klagend over het verkeer en het slechte weer. Dat is waarom ik niet in Parijs meer wil wonen, ik wil niet aan haar wennen. Het is beter voor ons allebei, maar vooral voor mij, als ze me om de zoveel maanden kan betoveren.

Youp van ’t Hek heeft in één van zijn programma’s een keer verteld hoe hij wende aan Carré, hoe vreselijk hij het vond eraan gewend te zijn. Naar mijn mening zou ik me hetzelfde voelen als ik ooit l’Avenue des Champs-Elysées op zou kunnen lopen zonder mijn adem in te houden. Als ik zou wennen aan Parijs, welke andere stad heeft dan een schijn van kans me nog te imponeren? Ik zou ’s werelds meest chagrijnige snob worden, vastgeraakt in een cyclus van onverschilligheid veroorzaakt door gewenning aan de stad waar niemand ooit aan zou mogen wennen. Vroeger was ik jaloers op Parijzenaren, tegenwoordig heb ik medelijden met ze: zij zullen nooit een stad vinden mooier dan degene waaraan ze gewend zijn.

door Yannick Duport

Reageer