Sport en medicijnen, weg ermee
U moet voor de lol eens naar de website van Sportvereniging Omnia 2000 gaan. Ze afficheert zich trots als de grootste sportvereniging van Aalsmeer, met bijna 1500 leden. Maar… die leden sporten niet, ze zitten in een productgroep.
Zeven productgroepen telt Omnia, waaronder gymnastiek & turnen, trampolinespringen, twirlen en volleybal. Ik hoor het de kinderen al tegen elkaar zeggen: “Hé, in welke productgroep zit jij tegenwoordig?”
Ik vraag me af of ze in de gelederen van Omnia serieus in die termen spreken. Erg waarschijnlijk is het niet. Je kunt je er met goed fatsoen niks leuks bij voorstellen. Noem het dan ‘afdeling’. Of doe zo gewoon mogelijk en noem de sport bij naam. Er is vast een prijzige adviseur aan te pas gekomen die net een bedrijf of overheidsinstelling op ‘producten en diensten’ had doorgelicht, vond dat sportverenigingen ook met hun tijd mee moesten en opperde productgroepen in te voeren. Of een nieuw bestuurslid, dat als voorwaarde voor het ‘liefdewerk oud papier’-baantje stelde dat er voortaan in productgroepen gedacht moest worden.
Is er niemand in lachen uitgebarsten op het moment dat de dikdoener met “productgroepen” op de proppen kwam? “Goed idee, moeten we doen,” reageerden de Omnia’ers spontaan in koor. Staat er bij die club niemand van de 1500 productgroepleden op de jaarvergadering op om te roepen dat we in een dorp wonen en op voetbal zitten of op gym?
Ik voorspel dat de club driemaal zo groot wordt wanneer ze er weer gewoon gaan sporten. Houd meteen ook op met het pleonasme gymnastiek en turnen. Nog nooit heeft iemand me uit kunnen leggen wat het verschil tussen beide is. En voer alsjeblieft de ‘steenwedstrijden’ weer in. Dat is pas een heerlijk woord. Toen mijn zus (ze is van vóór de productgroepen) op turnen zat, heeft ze er nog aan meegedaan. Die befaamde steen in de entree van De Oude Veiling met ingegraveerde namen van winnaars heeft ze nooit gehaald, helaas.
Iets waarover ik me evenzeer kan opwinden, is het voicemailbericht van mijn huisarts als ik bel voor een herhaalrecept. Eerst wordt me gezegd dat ik iets kan inspreken na de “korte piep”, maar ik moet dat wel “duidelijk” doen. Dan komt het. Achtereenvolgens moet ik (1) mijn naam, (2) mijn geboortedatum, (3) de naam van het medicijn, (4) de sterkte van het medicijn en (5) de hoeveelheid ervan opgeven en aangeven (6) of het wel of niet gebracht moet worden. Die hele riedel van mijn huisarts duurt zo’n veertig seconden. U mag raden hoe vaak ik moet terugluisteren om tot me te laten doordringen wat ik geacht word te zeggen.
Of is het bedoeld om me van de medicijnen af te helpen? Alle lof dan, in mijn geval.
Han Carpay.


